Rechtbank Leeuwarden geen aansprakelijkheid bij stoeipartij

Uitspraak

Rb: collegiale stoeipartij, gedrag niet onrechtmatig

14 maart 2007.

Benadeelde stoeit met een collega en breekt hierbij zijn onderbeen. Hij stelt zijn collega aansprakelijk. De rechtbank overweegt dat gevaarscheppend gedrag slechts onrechtmatig is, indien de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval zo groot is, dat de dader zich van dat gedag had behoren te onthouden. Daarnaast zijn gedragingen in het kader van een “collegiale stoeipartij” niet onrechtmatig, indien deze het kader van een normale speelse collegiale interactie niet te buiten gaan. De rechtbank oordeelt, dat nu benadeelde zelf is begonnen met het gevaarscheppend gedrag, door zijn collega met een heupworp op de grond te leggen, hij het risico in het leven heeft geroepen én aanvaard dat deze een reactie hierop zou geven. Dat hierdoor letsel werd veroorzaakt, kan gedaagde niet worden toegerekend, zeker niet nu geen sprake is van disproportioneel gedrag.

Letselschade door stoeipartij? Bel vrijblijvend: 085 – 877 17 74

 

Volledige uitspraak:

vonnis

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 74339 / HA ZA 06-70

Vonnis van 14 maart 2007

in de zaak van

(BENADEELDE),

wonende te (woonplaats) ,

eiser,

procureur mr. A.H. Lanting,

tegen

(GEDAAGDE),

wonende te (woonplaats),

(gedaagde) ,

procureur mr. J.B. Dijkema,

advocaat mr. H.M. Kruitwagen te Arnhem.

Partijen zullen hierna (benadeelde) en (gedaagde) genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

– de dagvaarding;

– de conclusie van antwoord;

– de conclusie van repliek;

– de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. (benadeelde) en (gedaagde) ) zijn beiden werkzaam bij (werkgever) Metal Packing B.V. te Leeuwarden (hierna: (werkgever) ). (benadeelde) en (gedaagde) ) werkten sedert 1985 regelmatig samen en deze samenwerking verliep in goede harmonie.

2.2. Op 21 oktober 2003 heeft er in een gemeenschappelijke pauzeruimte bij (werkgever) een schermutseling plaatsgevonden tussen (benadeelde) en (gedaagde) ), waarbij (benadeelde) letsel aan zijn linker been heeft opgelopen. (benadeelde) is in verband daarmee per ambulance naar het ziekenhuis vervoerd. Bij onderzoek in het ziekenhuis bleek dat (benadeelde) zijn tibiaplateau links (linkeronderbeen) had gebroken en hij is op 22 oktober 2003 geopereerd. Als complicatie is een quadricepsatrofie opgetreden. Op 3 november 2003 is (benadeelde) uit het ziekenhuis ontslagen. Hij is bijna een jaar arbeidsongeschikt geweest en heeft in oktober 2004 zijn werkzaamheden weer volledig hervat.

2.3. Van het ongeval van (benadeelde) is op 23 oktober 2003 door (werkgever) een

“Getuigenverslag ongeval (benadeelde)” opgemaakt. Hierin is onder meer vermeld:

“Getuigenverslag ongeval (benadeelde)

Aanwezig: (getuige 1), ((gedaagde) (GEDAAGDE) , (GETUIGE 2), (getuige 4) (verslag)

Datum: Donderdag 23 oktober 2003 /1838

Aanleiding: Ongeval ((BENADEELDE)) op dinsdagavond 21 oktober 2003

Letsel: Been gebroken vlak onder de knie

Getuigenverslag (gedaagde)

(…)

(BENADEELDE), zittend op één punt van de tafel, probeert het briefje weer uit de handen van (GEDAAGDE) te trekken. (BENADEELDE) geeft (gedaagde) een duw tegen de schouder, pakt hem met twee handen bij beide schouders beet en duwt (gedaagde) omver. De duwbeweging kwam vrij plotseling waardoor (GEDAAGDE) zijn evenwicht verloor en op de grond viel.

(gedaagde) stond weer op. (BENADEELDE) stond ondertussen ook (gedaagde) pakt op zijn beurt (BENADEELDE) bij beide schouders, zet zijn been achter dat van (BENADEELDE) en probeert hem omver te duwen. Er gebeurde nog bijna niets, toen (BENADEELDE) heel hard begon te schreeuwen, hij trok helemaal wit weg en zeeg op de grond neer.

(…).

Getuigenverslag (getuige 2)

(GETUIGE 2) bevestigd het verhaal van (GEDAAGDE) . Ze stonden met z’n allen bij de tafel. Het is altijd een beetje dollen met elkaar. Ook deze keer. (BENADEELDE) Zowel (GEDAAGDE) , als (BENADEELDE), als de omstanders lachten erom. Toen (BENADEELDE) op de grond neerzeeg dacht men dat het niet serieus was, dat het bij het dollen hoorde, maar (BENADEELDE) bleef liggen. (…)

Getuigenverslag (getuige 3)

Portier (getuige 3) ((getuige 3) werd vanuit de bussenafdeling gebeld dat er iets met (BENADEELDE) aan de hand was. (getuige 3) was in de buurt (gebouw 23) en antwoordde dat hij eraan kwam. Toen (getuige 3) buiten kwam, toen stonden (GETUIGE 2) en (X) al met (BENADEELDE) bij de bedrijfsauto’s om hem naar het ziekenhuis te brengen. (getuige 3) werd gevraagd om even te kijken wat er aan de hand was (BENADEELDE) zei herhaaldelijk: ‘het is mijn eigen schuld’. (…)”

2.4. (benadeelde) heeft op 6 februari 2004 bij de Politie Fryslan tegen ((gedaagde) ) aangifte gedaan terzake zware mishandeling. In het proces-verbaal van aangifte is onder meer

vermeld:

“Vervolgens duwde (gedaagde) mij achter over met twee handen op de tafel. Vervolgens scheurde (gedaagde) mijn overall los. Hierop werd ik erg kwaad, ook omdat (gedaagde) wel vaker zulke intimiderende dingen wel doet. Ik ben vervolgens rechtop gestaan en heb (gedaagde) in een judogreep gelegd. Ik liet hem achterover struikelen. Ik stuurde hem hierbij naar de grond. Hij lag vervolgens op zijn rug op de grond. (…). Ik zag dat (gedaagde) inmiddels weer was gaan staan en ik zag dat hij op mij afkwam. (gedaagde) stond vervolgens voor mij. Ik was met mijn benen wat uit elkaar gestaan, omdat ik dacht dat (gedaagde) mij dan in ieder geval niet kon omgooien. Vervolgens zag ik dat (gedaagde) zijn rechterbeen om mijn linkerbeen heen strengelde ((gedaagde) zette zijn rechterbeen achter mijn linkerbeen). Vervolgens trok (gedaagde) mij kennelijk, opzettelijk en met kracht met beide handen naar links toe. Ik voelde toen dat mijn been brak vlak onder mijn knie.”

2.5. Bij brief van 11 februari 2004 heeft de – toenmalige – gemachtigde van (benadeelde) (gedaagde) aansprakelijk gesteld voor de door (benadeelde) geleden en nog te lijden schade als gevolg van voormeld aan (benadeelde) overkomen ongeval: (gedaagde) heeft daarop te kennen gegeven aansprakelijkheid af te wijzen.

2.6. De sepotfunctionaris van de politie Fryslan te Leeuwarden heeft bij brief van 4 juni 2004 aan (gedaagde) medegedeeld dat wordt afgezien van verdere vervolging van hem terzake van mishandeling, aangezien er sprake is van onvoldoende bewijs.

3. De vordering

3.1. (benadeelde) vordert dat de rechtbank voor recht verklaart dat (gedaagde) jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door hem op 21 oktober 2003 te mishandelen en dat (gedaagde) jegens (benadeelde) terzake schadeplichtig is, met veroordeling van (gedaagde) in de proceskosten.

3.2. (gedaagde) ) voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil en de beoordeling

4.1. (benadeelde) heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat (gedaagde) ) onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door hem op 21 oktober 2003 te mishandelen. Op genoemde datum is, volgens (benadeelde) , (gedaagde) ) op hem afgelopen, heeft zijn rechterbeen om het linkerbeen van (benadeelde) gestrengeld en hem vervolgens opzettelijk en met kracht opzij getrokken. Naar zijn oordeel was er geen sprake van een vriendschappelijke stoeipartij en voelde hij zich regelmatig geïntimideerd door (gedaagde) . Er was sprake van een eenzijdige aanval door (gedaagde) ) op (benadeelde) en geenszins van een gemeenschappelijke stoeipartij, aldus (benadeelde) . Als gevolg van het handelen door (gedaagde) is bij (benadeelde) het tibiaplateau links gebroken en moest hij in verband daarmee een operatie ondergaan. Als complicatie bij de operatie is een quadricepsatrofie opgetreden, waardoor hij last heeft van blijvende klachten in het gebruik van de knie (pijn, instabiliteit) en hij bijna een jaar arbeidsongeschikt is geweest. De door hem geleden, nog nader bij staat op te maken, schade dient (gedaagde) aan hem te vergoeden, aldus (benadeelde) .

4.2. (gedaagde) ) heeft zich primair verweerd door te stellen dat hij niet onrechtmatig heeft gehandeld, nu er geen sprake is van verwijtbaar gedrag aan zijn zijde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er tussen collega’s bij (werkgever) regelmatig “gegrapt en gegrold” wordt en dat er regelmatig vriendschappelijke stoeipartijtjes plaatsvinden. Op 21 oktober 2003 ontstond er ook een dergelijke stoeipartij tussen (benadeelde) en (gedaagde), waarbij meerdere collega’s aanwezig waren. Tijdens deze stoeipartij heeft (benadeelde) (gedaagde) in een heupzwaai genomen, waardoor (gedaagde) ) op de grond terecht kwam. (gedaagde) ) heeft (benadeelde) als reactie hierop een vriendschappelijke duw gegeven, aldus nog steeds (gedaagde) . Deze duw was niet bovenmatig hard of disproportioneel en er was geen sprake van opzet aan de zijde van (gedaagde) .

Subsidiair heeft (gedaagde) ) aangevoerd dat er sprake is van eigen schuld aan de zijde van (benadeelde) . Naar het oordeel van (gedaagde) heeft (benadeelde) het initiatief genomen tot de stoeipartij en heeft hij een reactie van (gedaagde) uitgelokt door hem eerst in een heupzwaai op de grond te leggen. (benadeelde) heeft daarmee zelfde stoeipartij in gang gezet, aldus (gedaagde). Hij stelt dat het ongeval niet had plaatsgevonden als (benadeelde) zijn uitdagende gedrag achterwege zou hebben gelaten.

Onrechtmatig handelen

4.3. Bij de beoordeling van de vraag of er door (gedaagde) onrechtmatig jegens (benadeelde) is gehandeld, stelt de rechtbank het volgende voorop. De vraag of bepaald gedrag onrechtmatig is, kan niet uitsluitend beantwoord worden aan de hand van de vraag of er schade of letsel is ontstaan. Gevaarscheppend gedrag is slechts onrechtmatig, indien de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval (het oplopen van letsel door een ander) als gevolg van dat gedrag zo groot is, dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedag had behoren te onthouden (Hoge Raad 12 mei 2000, NJ 2001, 300). Daarnaast zijn gedragingen in het kader van een “collegiale stoeipartij”, waarbij over en weer “gedold” wordt, in beginsel niet onrechtmatig, indien deze het kader van een normale speelse collegiale interactie niet te buiten gaan en bovendien niet specifiek gevaarzettend zijn. In beginsel is er geen aansprakelijkheid, indien door een ongelukkige samenloop van omstandigheden een op zichzelf genomen niet gevaarzettende handeling tot schade bij een ander lijdt.

4.4. De stelling van (benadeelde) dat (gedaagde) hem op 21 oktober 2003 – en al vaker -onuitgelokt had benaderd en daarbij letsel had toegebracht, is door (gedaagde) ) onderbouwd weersproken aan de hand van verklaringen van hemzelf en andere werknemers die daar toen ter plaatse waren. Gelet daarop is de lezing van de toedracht van het ongeval van (benadeelde) niet komen vast te staan en moet van (gedaagde) ’s lezing worden uitgegaan. Aan het bewijsaanbod van (benadeelde) gaat de rechtbank dan ook voorbij.

Uitgangspunt is dan ook dat de verhouding tussen partijen goed was, evenals de algehele sfeer op het werk. Er werd wel eens wat “gedold”, waarbij men elkaar wel eens een duwtje gaf. Uit de inhoud van het door (gedaagde) in het geding gebrachte, en door (benadeelde) niet betwiste, “Getuigenverslag ongeval (benadeelde)”, alsmede de inhoud van het proces-verbaal van aangifte, gaat de rechtbank ervan uit dat er op 21 oktober 2003 door beide partijen over en weer geduwd is. (benadeelde) heeft eerst (gedaagde) vastgepakt en hem met behulp van een heupzwaai op de grond gelegd. Dit heeft (benadeelde) als zodanig ook verklaard in zijn aangifte bij de politie op 6 februari 2004 en wordt bevestigd door de getuigenverklaringen in het “Getuigenverslag ongeval (benadeelde)” van 23 oktober 2003. Als reactie op het handelen van (benadeelde) heeft ((gedaagde) ) op zijn beurt vervolgens, na te zijn opgestaan, getracht (benadeelde) omver te duwen, door zijn been achter het been van (benadeelde) te plaatsen en hem tegen zijn schouders te duwen.

4.5. Nu (benadeelde) , zoals blijkt uit de feiten, is begonnen met het gevaarscheppend

gedrag, door het op de grond leggen van (gedaagde) door middel van een heupworp, heeft hij

het risico in het leven geroepen én aanvaard dat (gedaagde) een reactie hierop zou geven. Dat

die reactie van (gedaagde) vervolgens letsel bij (benadeelde) veroorzaakt, kan (gedaagde) niet worden toegerekend. Zeker niet nu, naar het oordeel van de rechtbank, het handelen van (gedaagde) een handeling is die in de gegeven omstandigheden (een stoeipartij) te verwachten is en die niet disproportioneel is. Daarnaast blijkt niet, althans heeft (benadeelde) daartoe onvoldoende gesteld, dat de duw van (gedaagde) bovenmatig hard was. De aan (gedaagde) verweten handeling gaat bovendien de grenzen van een normale, collegiale stoeipartij niet te buiten, zodat het letsel van (benadeelde) kan worden aangemerkt als het gevolg van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. De vordering dient derhalve te worden afgewezen.

4.6. (benadeelde) zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van (gedaagde) worden vastgesteld op:

– vast recht 244,00

– salaris procureur 904,00 (2 punt x tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.148,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af;

5.2. veroordeelt (benadeelde) in de proceskosten, aan de zijde van ((gedaagde) ) tot op heden vastgesteld op EUR 1.148,00;

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Tangenberg, mr. G.A.M. Peper en mr. M.J. de Lange en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2007.

 

 

 

Gratis juridisch advies bij letselschade

Onze letselschadespecialisten hebben de kennis en ervaring om uw belangen optimaal te behartigen. Wij onderzoeken de toedracht van het ongeval, stellen de tegenpartij aansprakelijk, berekenen uw letselschade en realiseren uw schadevergoeding. Daarnaast bezoeken wij u thuis, ongeacht waar in Nederland u woonachtig bent. Maak nu een afspraak voor een vrijblijvend kennismakingsgesprek met een letselschade deskundige.

Neem contact op 085 - 877 17 74