Hoge Raad aansprakelijkheid studentenvereniging voor ongeval

Uitspraak

Inhoudsindicatie: Aansprakelijkheidsrecht. Ongeval op een boot tijdens zeilweekeinde van studentenvereniging; geen toerekening van onrechtmatige daad aan vereniging, eigen verantwoordelijkheid van leden die aan verenigingsactiviteit deelnemen; benadeelde als organisator betrokken bij falend toezicht.

Letselschade door ongeval? Bel vrijblijvend: 085 – 877 17 74

 

LJN: AZ6219, Hoge Raad , C05/270HR

Datum uitspraak: 23-02-2007

Datum publicatie: 23-02-2007

Rechtsgebied: Civiel overig

Soort procedure: Cassatie

 

Uitspraak

23 februari 2007

Eerste Kamer

Nr. C05/270HR

MK

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,

t e g e n

De vereniging met volledige rechtsbevoegdheid IO VIVAT NOSTRORUM SANITAS,

gevestigd te Leeuwarden,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. D Rijpma.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie – verder te noemen: [eiser] – heeft bij exploot van 9 augustus 1999 verweerster in cassatie – verder te noemen: de Vereniging – gedagvaard voor de rechtbank te Leeuwarden en gevorderd een verklaring voor recht dat de Vereniging aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de Vereniging te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te voldoen de door [eiser] geleden en nog te lijden schade zulks op te maken bij staat en volgens de wet te vereffenen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De Vereniging heeft de vordering bestreden.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 13 februari 2002 de Vereniging een bewijsopdracht gegeven. Bij eindvonnis van 30 juli 2003 heeft de rechtbank de vordering afgewezen en [eiser] in de proceskosten veroordeeld.

Tegen beide vonnissen heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden.

Bij arrest van 20 april 2005 heeft het hof beide vonnissen van de rechtbank bekrachtigd en [eiser] in de kosten van het geding in hoger beroep veroordeeld.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Vereniging heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Vereniging mede door mr. R.L. Bakels, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 17 november 2006 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Io Vivat Nostrorum Sanitas (hierna: de Vereniging) is een studentenvereniging van de Hotel Management School te Leeuwarden. Eén van de commissies van de Vereniging is de commissie Watersport, die de naam ADAM draagt en voor de leden van de Vereniging onder meer jaarlijks het “Zomer Zeil Zwerf weekend” organiseert. In 1995 vond dat evenement van 4 tot 7 mei plaats. [Eiser] was als lid van de commissie Watersport één van de organisatoren van het weekeinde. Hiervoor waren zeventien zeilboten en één motorboot, de Aqua Rose, gehuurd.

(ii) Op 4 mei 1995 omstreeks 18.00 uur voer de Aqua Rose met aan boord ongeveer 20 tot 25 personen in de richting van de haven van Heeg. De opvarenden deden de motorboot zodanig schommelen dat deze aan het gangboord bijna onder water kwam te liggen. Op een gegeven moment viel de motor uit. [Eiser] is de kajuit ingegaan. Voordat hij het luik in de kajuitvloer had geopend dat toegang tot de motor gaf, vond een explosie met een steekvlam plaats.

Er ontstond brand op de boot. [Eiser] liep ernstige brandwonden op, waarvoor hij in het ziekenhuis is behandeld.

3.2 [Eiser] heeft onder meer een verklaring voor recht gevorderd dat de Vereniging aansprakelijk is voor de materiële en immateriële schade die hij ten gevolge van het hem overkomen ongeluk heeft geleden en nog zal lijden. De rechtbank heeft de vordering afgewezen.

3.3.1 In hoger beroep heeft [eiser] de volgende stellingen aan zijn vordering ten grondslag gelegd:

1. De Vereniging had niet mogen toestaan dat een los staande gasfles (al dan niet meegenomen door de Vereniging) in de ‘kinette’, althans op de kruiser, werd geplaatst zonder deze deugdelijk te verankeren en verankerd te laten.

2. De Vereniging had niet mogen toestaan dat een los staande gasfles werd aangesloten op een (door de Vereniging meegenomen) hotelbrander en (al dan niet) vervolgens daadwerkelijk (brandend) in werking werd gesteld.

3. De Vereniging had uitsluitend gebruik mogen maken van een zich in de beun bevindende gasfles en het daarop aangesloten kooktoestel.

4. De onder 1 genoemde gasfles, althans een door de Vereniging meegenomen gasfles, is de oorzaak van de eerste ontploffing en de daarop volgende brand geweest, waardoor [eiser] gewond is geraakt.

5. De Vereniging had geen gasflessen mee aan boord van de kruiser mogen nemen, althans er op moeten toezien dat de gasflessen op de kruiser goed verankerd waren en goed verankerd bleven.

6. De Vereniging had niet mogen toelaten dat de boot door de studenten hevig aan het schommelen werd gebracht, zeker niet op een moment dat er op de kruiser daadwerkelijk gekookt werd. (rov. 6)

3.3.2 Het hof heeft, veronderstellenderwijs uitgaande van de juistheid van deze stellingen, geoordeeld dat niet gesproken kan worden van een onrechtmatige daad die aan de Vereniging kan worden toegerekend en heeft de bestreden vonnissen bekrachtigd.

3.4 Het hof heeft daartoe als volgt overwogen.

“8. Het hof stelt voorop dat in een geval als het onderhavige – waarin sprake is van een studentenvereniging met een gezelligheidskarakter, waaronder een aantal commissies vallen zoals onder meer de commissie watersport ADAM – geen al te hoge eisen mogen worden gesteld aan het toezicht en de aard daarvan op activiteiten van de vereniging. Daarbij speelt mee dat de organisatie van de vereniging Io Vivat en de commissie ADAM berust bij leden van die vereniging, zodat het de leden zelf zijn die verantwoordelijk zijn voor de organisatie van activiteiten en het toezicht daarop. Zulks brengt mee dat op de deelnemers aan activiteiten van de vereniging een grote mate van eigen verantwoordelijkheid rust.

Voorts overweegt het hof dat niet gesteld of gebleken is dat Io Vivat op enig punt faalde door een gevaarlijke situatie in het leven te roepen. Immers, het organiseren van een jaarlijks terugkerend evenement voor ADAM, het zeilweekend, is op zich zelf géén activiteit die door Io Vivat zou dienen te worden verboden in verband met het feit dat het deelnemen aan het zeilweekend voorzienbaar gevaarlijk was. Ook is niet gesteld of gebleken dat Io Vivat over een grotere kennis beschikt op het gebied van varen met een motorboot en de daarmee samenhangende veiligheid dan aanwezig is bij de individuele leden van die vereniging die zich op die motorboot, de Aqua Rose, bevonden, waarbij wellicht één uitzondering is te maken voor [eiser] zelf, van wie onweersproken vaststaat dat hij over een vaarbewijs beschikte.

Daar komt nog het volgende bij. Voorzover geoordeeld zou moeten worden dat Io Vivat wel (enig) toezicht had dienen te houden, heeft zij dit toezicht gelegd bij de namens haar optredende watersportcommissie ADAM, waarvan [eiser] zelf één van de organisatoren was, en welke commissie de verantwoordelijkheid klaarblijkelijk heeft aanvaard. De verantwoordelijkheid voor de toerusting aan boord en de veiligheid aan boord lag daarmee bij de organisatoren, allen leden van de watersportcommissie ADAM. Het hof stelt vast dat niet is gebleken dat deze organisatoren:

a) maatregelen hebben genomen om te voorkomen dat er te veel mensen aan boord waren;

b) hebben voorkomen dat er twee extra gasflessen aan boord werden gebracht;

c) er op hebben gelet dat deze gasflessen deugdelijk waren verankerd;

d) hebben voorkomen dat deze gasflessen in werking werden gesteld tijdens het varen;

e) hebben voorkomen dat er met de motorboot werd geschommeld.

9. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden kan [eiser] Io Vivat niet een gebrek aan toezicht verwijten, daar hij immers als deelnemer aan het zeilweekend en varend op een motorboot als commissielid van ADAM zelf niet heeft gedaan wat hij Io Vivat verwijt te hebben nagelaten: het houden van toezicht tijdens de vaartocht. Door [eiser] is niet nader gesteld en toegelicht wanneer en hoe Io Vivat – in het kader van het voorgaande – nu precies toezicht had moeten houden. Voorzover de stellingen van [eiser] aldus zouden moeten worden begrepen dat Io Vivat voorafgaand aan het zeilweekend specifieke instructies aan de deelnemers had moeten geven om te voorkomen dat de omstandigheden als opgesomd bij r.o. 6 zich zouden voordoen, is het hof van oordeel dat niet voorzienbaar was voor Io Vivat dat de studenten op de motorboot zouden gaan schommelen met als gevolg dat de slang van een gasfles, die aan boord was meegenomen en die was aangesloten en in werking gesteld en gekoppeld aan een hotelbrander met daarop een pan die aldus verwarmd werd, zou losschieten hetgeen een steekvlam zou veroorzaken, welke vlam [eiser] uiteindelijk zou treffen, waardoor hij gewond zou worden. Van Io Vivat kan onder die omstandigheden niet worden gevergd dat zij specifieke instructies gaf ter voorkoming van een ongeval als het onderhavige.”

3.5 Onderdeel 1 klaagt, kort gezegd, dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de Vereniging niet meer te beschouwen is als eindverantwoordelijke voor het zeilweekeinde op de grond dat zij het toezicht daarop bij de commissie ADAM zou hebben gelegd.

Deze klacht mist feitelijke grondslag omdat een dergelijk oordeel in het bestreden arrest niet te lezen valt. Wel heeft het hof geoordeeld dat [eiser] onder de in rov. 8 genoemde omstandigheden – waaronder de in cassatie niet bestreden grote mate van eigen verantwoordelijkheid die rust op de leden van een vereniging als de onderhavige die deelnemen aan een activiteit als het zeilweekeinde – aan de Vereniging niet een gebrek aan toezicht kan verwijten, daar hij als deelnemer aan het zeilweekeinde en varend op de Aqua Rose als commissielid van ADAM zelf niet heeft gedaan wat hij de Vereniging verwijt te hebben nagelaten: het houden van toezicht tijdens de vaartocht.

3.6.1 Onderdeel 2 keert zich tegen laatstgenoemd oordeel. Het enkele feit, aldus het onderdeel, dat [eiser] lid is van de commissie ADAM heeft nog niet tot gevolg dat de Vereniging niet aansprakelijk is voor zijn letsel. Hooguit zou [eiser] eigen schuld kunnen worden verweten en geoordeeld kunnen worden dat de Vereniging niet is gehouden de (totale) schade van [eiser] te vergoeden. Daarbij komt nog, vervolgt het onderdeel, dat het totale toezicht van het evenement niet (uitsluitend) bij [eiser] lag: [eiser] was immers maar één van de commissieleden.

3.6.2 Het bestreden oordeel moet gelezen worden in samenhang met het oordeel van het hof in rov. 10 dat uit het voorgaande volgt dat niet gesproken kan worden van een aan de Vereniging toe te rekenen onrechtmatige daad. Dan wordt duidelijk dat het hof van oordeel is dat, voor zover al sprake zou zijn geweest van het door [eiser] gestelde, maar zoals het hof – in cassatie onbestreden – heeft geoordeeld: niet nader toegelichte, onvoldoende toezicht, de aldus geschonden norm niet strekt tot bescherming van [eiser] nu deze zich als (mede-) organisator van het zeilweekeinde zelf ook niet naar die norm heeft gedragen. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover onderdeel 2 het tegendeel betoogt, faalt het derhalve.

3.6.3 De klacht dat het enkele feit dat [eiser] lid is van de commissie ADAM nog niet tot gevolg heeft dat de Vereniging niet aansprakelijk is voor het letsel van [eiser], mist, zoals volgt uit het hiervoor in 3.5 overwogene, feitelijke grondslag.

3.6.4 De omstandigheid dat [eiser] maar een van de commissieleden van ADAM was en het totale toezicht van het evenement niet (uitsluitend) bij [eiser] lag, doet aan het oordeel van het hof, dat de Vereniging niet aansprakelijk is voor het letsel van [eiser], niet af, nu het hof bij gebreke van daartoe strekkende, in de feitelijke instanties te berde gebrachte, stellingen geen reden had te oordelen dat [eiser] als lid van de commissie ADAM naast andere leden van de commissie niet de volle verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het geboden toezicht droeg of dat hem voor het niet uitoefenen van dat toezicht geen blaam treft. Ook de overige klachten van onderdeel 2 treffen derhalve geen doel.

3.7.1 De in onderdeel 3 aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Vereniging begroot op € 362,34 aan verschotten en € 2.200,– voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, P.C. Kop, E.J. Numann en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 23 februari 2007.

Conclusie

Zaaknr. C05/270HR

Mr. J. Wuisman

Zitting van 3 november 2006

CONCLUSIE inzake:

[Eiser],

eiser tot cassatie,

advocaat: Mr. Garretsen;

tegen

Io Vivat Nostrorum Sanitas,

verweerster in cassatie,

advocaat: Mrs. Rijpma en Bakels

Het gaat in deze zaak om de vraag of verweerster in cassatie, een studentenvereniging, aansprakelijk kan worden gehouden voor de gevolgen van een ongeval dat eiser tot cassatie is overkomen tijdens een zeilweekend dat door de watersportcommissie van de studentenvereniging en eiser als lid van die commissie was georganiseerd.

1. Feiten en procesverloop ((1))

1.1 Io Vivat Nostrorum Sanitas (hierna: de Vereniging) is een studentenvereniging van de Hotel Management School te Leeuwarden. Eén van de commissies van de Vereniging is de commissie Watersport. Deze commissie, die de naam ‘ADAM’ draagt, organiseert voor de leden van de Vereniging onder meer jaarlijks het “Zomer Zeil Zwerf weekend”. In 1995 vond dat evenement van 4 tot 7 mei plaats. [Eiser] was als lid van de commissie Watersport één van de organisatoren van het weekend. Voor het zeilweekend waren 17 zeilboten en 1 motorboot, de Aqua Rose, gehuurd.

1.2 Op 4 mei 1995 omstreeks 18.00 uur voer de Aqua Rose met aan boord ongeveer 20 tot 25 personen in de richting van de haven van Heeg. De opvarenden deden de motorboot zodanig schommelen dat deze aan het gangboord bijna onder water kwam te liggen. Op een gegeven moment viel de motor uit. [Eiser] is de kajuit ingegaan. Voordat hij het luik in de kajuitvloer had geopend dat toegang tot de motor gaf, vond een explosie met een steekvlam plaats. Er ontstond brand op de boot. [Eiser] liep ernstige brandwonden op, waarvoor hij in het ziekenhuis is behandeld.

1.3 [Eiser] heeft bij dagvaarding van 9 augustus 1999 bij de Rechtbank Leeuwarden een procedure tegen de Vereniging aanhangig gemaakt. Hij vordert onder meer een verklaring voor recht dat de Vereniging aansprakelijk is voor de materiële en immateriële schade die hij ten gevolge van het hem overkomen ongeval heeft geleden en nog zal lijden. De Rechtbank heeft de vordering afgewezen op gronden die vanwege een wijziging van de grondslag van de eis in appel in cassatie niet van belang zijn. [Eiser] is van deze afwijzing bij het Hof Leeuwarden in hoger beroep gegaan.

1.4 In de memorie van grieven heeft [eiser] de grondslag van zijn vordering gewijzigd. Op grond van bij die memorie in het geding gebrachte verklaringen maakt hij op blz. 3 onderaan en blz. 4 bovenaan van de memorie de Vereniging een aantal verwijten. Die verwijten luiden:

1. De Vereniging had niet mogen toestaan dat een los staande gasfles (al dan niet meegenomen door de studentenvereniging) in de ‘kinette’, althans op de motorboot werd geplaatst zonder deze deugdelijk te verankeren en verankerd te laten.

2. De Vereniging had niet mogen toestaan dat een losstaande gasfles werd aangesloten op een (door de Vereniging meegenomen) hotelbrander en (al dan niet) vervolgens daadwerkelijk (brandend) in werking werd gesteld.

3. De vereniging had uitsluitend gebruik mogen maken van een zich in de beun bevindende gasfles en het daarop aangesloten kooktoestel.

4. De onder 1 genoemde gasfles, althans een door de Vereniging meegenomen gasfles, is de oorzaak van de eerste ontploffing en de daarop gevolgde brand geweest, waardoor [eiser] gewond is geraakt.

5. De Vereniging had geen gasflessen mee aan boord van de motorboot mogen meenemen, althans er op moeten toezien dat de gasflessen goed verankerd waren en goed verankerd bleven.

6. De Vereniging had niet mogen toelaten dat de boot door de studenten hevig aan het schommelen werd gebracht, zeker niet op een moment dat er op de kruiser daadwerkelijk gekookt werd.

In rov. 7 van het bestreden arrest besluit het Hof, veronderstellenderwijs uitgaande van de juistheid van de in de verwijten opgesloten liggende feiten, om te onderzoeken of er sprake is van een toerekenbaar onrechtmatig handelen door de Vereniging. Het Hof komt tot de slotsom dat dat niet het geval is en wijst de vordering van [eiser] eveneens af.

1.5 [Eiser] die tijdig in cassatie is gekomen((2)), bestrijdt het arrest van het Hof met een uit drie onderdelen bestaand cassatiemiddel. De Vereniging heeft tot verwerping van het cassatieberoep geconcludeerd. Partijen hebben hun standpunt in cassatie schriftelijk doen toelichten.

2. Samenvatting van het arrest van het Hof

2.1 Het Hof zet in rov. 7, in cassatie onbestreden, voorop dat [eiser] ten gronde de Vereniging het verwijt maakt dat zij onvoldoende toezicht heeft gehouden, en dat, nu niet gesteld of gebleken is dat een specifieke veiligheidsnorm is geschonden, moet worden bezien of sprake van schending door de Vereniging van een in het maatschappelijk verkeer geldende ongeschreven zorgvuldigheidsnorm. De vraag of een in het maatschappelijk verkeer geldende ongeschreven zorgvuldigheidsnorm is geschonden, beoordeelt het Hof verder binnen het kader van de verhouding van de Vereniging tot [eiser]. Aan het begin van rov. 9 concludeert het Hof immers dat [eiser] niet aan de Vereniging een gebrek aan toezicht kan verwijten. Het Hof beoordeelt dus of er sprake is geweest van onvoldoende zorg van de Vereniging jegens [eiser] wegens het niet voldoende uitoefenen van toezicht. Dat het Hof het geschonden zijn van een zorgvuldigheidsnorm binnen dat kader beoordeelt, wordt op zichzelf in cassatie niet bestreden.

2.2 Het Hof neemt bij de beoordeling van de vraag welke zorg de Vereniging in de vorm van toezicht houden jegens [eiser] had te betrachten en of de Vereniging daarin is te kort geschoten, in rov. 8 de volgende omstandigheden in aanmerking:

a. Er mogen geen al te hoge eisen aan het toezicht van de Vereniging op de activiteiten van de Vereniging en aan de aard daarvan worden gesteld. Het gaat immers om een studentenvereniging met een gezelligheidskarakter, waaronder een aantal commissies vallen zoals onder meer de commissie watersport ADAM. De organisatie van de Vereniging en de commissie ADAM berust bij de leden van de Vereniging, zodat het de leden zelf zijn die verantwoordelijk zijn voor de organisatie van activiteiten en het toezicht daarop. Dit brengt mee dat op deelnemers aan activiteiten van de Vereniging een grote mate van eigen verantwoordelijkheid rust (rov. 8, eerste alinea). Hiertegen zijn in cassatie geen klachten gericht.

b. Het organiseren door ADAM van het jaarlijks terugkerend evenement van het zeilweekend, is op zichzelf géén activiteit die door de Vereniging zou dienen te worden verboden in verband met het feit dat het deelnemen aan het zeilweekend voorzienbaar gevaarlijk was (rov. 8, tweede alinea, eerste zin). Ook dit wordt in cassatie niet bestreden.

Gesteld noch gebleken is dat de Vereniging over een grotere kennis beschikt op het gebied van varen met een motorboot en de daarmee samenhangende veiligheid dan aanwezig is bij de individuele leden die zich op de motorboot bevonden. Hier is wellicht één uitzondering te maken voor [eiser] zelf, van wie onweersproken vaststaat dat hij over een vaarbewijs beschikte (rov. 8, tweede alinea, tweede zin). Hiertegen is in cassatie geen klacht gericht.

c. Voor zoveel de Vereniging enig toezicht had dienen te houden, heeft zij dat toezicht gelegd bij de namens haar optredende watersportcommissie ADAM. [eiser] was zelf één van de organisatoren, (waarmee wordt bedoeld dat [eiser] als lid van watersportcommissie bij de organisatie van het zeilweekend betrokken was). De verantwoordelijkheid van het toezicht houden heeft de commissie klaarblijkelijk aanvaard. De verantwoordelijkheid voor de toerusting aan boord en de veiligheid lag daarmee bij de organisatoren, allen leden van de watersportcommissie ADAM (rov. 8, derde alinea, eerste en tweede zin). In cassatie wordt hiertegen alleen aangevoerd dat niet gesteld en gebleken is dat de commissie de verantwoordelijkheid heeft aanvaard; zie onderdeel 1, sub (i), eerste gedeelte van laatste zin. Deze klacht treft echter geen doel. In het gegeven dat de organisatie van het zeilweekend in handen van de watersportcommissie lag en de commissie ook daadwerkelijk voor het plaatsvinden van het evenement heeft zorggedragen, ligt een aanvaarden door de commissie van verantwoordelijkheid voor het evenement tegenover de Vereniging besloten.

d. Het is niet gebleken dat de organisatoren maatregelen hebben genomen om te voorkomen dat er teveel mensen aan boord waren, twee extra gasflessen aan boord werden gebracht, deze gasflessen niet deugdelijk waren verankerd en in werking werden gesteld tijdens het varen en dat er met de boot werd geschommeld (rov. 8, derde alinea, derde zin). Hiertegen is in cassatie geen klacht gericht.

2.3 Het Hof oordeelt vervolgens in de eerste zin van rov. 9:

“Onder de hiervoor genoemde omstandigheden kan [eiser] Io Vivat niet een gebrek aan toezicht verwijten, daar hij immers als deelnemer aan het zeilweekend en varend op een motorboot als commissielid van ADAM zelf niet heeft gedaan wat hij Io Vivat verwijt te hebben nagelaten: het houden van toezicht tijdens de vaartocht.”

2.4 In rov. 9 ziet het Hof nog de vraag onder ogen of er voor de Vereniging aanleiding zou zijn geweest om voorafgaand aan het zeilweekend specifieke instructies te geven ter voorkoming van de situatie, die in de aan de Vereniging gemaakte verwijten ligt opgesloten. Het Hof acht dat niet het geval, kort gezegd omdat het voor de Vereniging niet voorzienbaar was dat de gestelde ongevalsituatie zich zou voordoen.

2.5 In de rov. 10 en 11 trekt het Hof de conclusie dat er geen sprake is van een onrechtmatige daad die aan de Vereniging is toe te rekenen, zodat de grondslag voor het gevorderde ontbreekt.

3. Bespreking van het cassatiemiddel

onderdeel 1

3.1 De klacht in onderdeel 1 komt hierop neer dat het Hof miskent dat de Vereniging voor het nalaten door de watersportcommissie van maatregelen als aan het slot van rov. 8 vermeld de eindverantwoordelijke is en de daarvoor aan te spreken rechtspersoon is. De klacht treft geen doel. Zij stoelt, mede gelet op de er aan gegeven toelichting, op het uitgangspunt dat het Hof in algemene zin tot afwezigheid van eindverantwoordelijkheid van de Vereniging voor het zeilevenement heeft geconcludeerd omdat zij het toezicht op het zeilweekend bij de watersportcommissie heeft gelegd. Dat is een onjuiste lezing van het arrest van het Hof. Het Hof oordeelt niet dat de Vereniging in algemene zin geen eindverantwoordelijkheid voor het uitoefenen van toezicht door de watersportcommissie bij het zeilevenement draagt en er daarom niet van een aan de Vereniging toe te rekenen onrechtmatig daad kan worden gesproken, ook niet ten aanzien van [eiser]. Het Hof oordeelt alleen dat [eiser], die als commissielid van ADAM zelf niet heeft gedaan wat hij de Vereniging verwijt te hebben nagelaten, zich niet op een gebrek aan toezicht ten aanzien van hem kan beroepen.

onderdeel 2

3.2 In onderdeel 2 wordt betoogd dat ’s Hofs oordeel in rov. 9, eerste zin, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet voldoende is gemotiveerd. Immers, het enkele feit dat [eiser] lid is van de commissie ADAM heeft nog niet tot gevolg dat de Vereniging niet aansprakelijk is voor het letsel van [eiser]. Hooguit zou [eiser] eigen schuld kunnen worden verweten en geoordeeld kunnen worden dat de Vereniging niet is gehouden de (totale) schade van [eiser] te vergoeden. Daaraan wordt toegevoegd dat het totale toezicht van het evenement niet (uitsluitend) bij [eiser] lag; [eiser] was immers maar één van de commissieleden.

3.3 Het oordeel van het Hof in rov. 9, eerste zin, is in deze zin te verstaan dat er onder de in rov. 8 vermelde omstandigheden geen sprake is van een onrechtmatig handelen van De Vereniging jegens [eiser]. Ten aanzien van hem kan niet worden gesproken van een tekort aan toezicht houden en daarmee aan zorg dat als een onrechtmatig handelen is te beschouwen en aan de Vereniging is toe te rekenen. Hij is immers, kort gezegd, tekort geschoten in de hem door de Vereniging toevertrouwde taak om toezicht te houden op onder meer de gang van zaken op de motorboot.

3.4 In het feit dat de gelaedeerde zelf in zijn verplichtingen te kort is geschoten of hem anderszins tekortschietend of onbetamelijk gedrag kan worden verweten, kan rechtens aanleiding worden gevonden om tot afwezigheid van onrechtmatigheid handelen jegens hem te concluderen. Men kan dat zien als een toepassing van het relativiteitsvereiste in die zin dat de op zichzelf geschonden norm niet strekt tot bescherming van de gelaedeerde die zelf zich ook niet betamelijk heeft gedragen. Omdat het bij een ongeschreven norm gaat om zorg tegenover een bepaalde persoon en dan het relativiteitsvereiste in de norm ligt opgesloten((3)), kan in zo’n geval ook de weg worden gevolgd dat er geen sprake is van een onzorgvuldig en dus ook niet van een onrechtmatig handelen((4)). Zie in dit verband onder meer:

– HR 31 maart 1995, NJ 1997, 592 (CJHB): het uitdelen van een klap is niet onrechtmatig jegens de gelaedeerde, omdat deze het geven van de klap heeft uitgelokt;

– HR 16 februari 1973, NJ 1973, 463: het zich niet houden aan een tariefregeling is niet onrechtmatig jegens een concurrent die zich ook niet aan die regeling houdt;

– HR 4 januari 1963, NJ 1964, 434: uitgifte van aandelen aan stromannen met het oog op het bereiken van een stemresultaat in de algemene vergadering van aandeelhouders is niet onrechtmatig jegens een aandeelhouder die zich ook van het inzetten van stromannen bedient.

Zie voorts Asser-Hartkamp 4-III, 2006, nr. 101; C.H. Sieburgh, Toerekening van een onrechtmatige daad, diss. Groningen, 2000, blz. 55; losbladige bundel Onrechtmatige daad, artikel 162, lid 2, aant. 238 (‘in pari delicto’ verkerende eiser).

3.5 Voor zover wordt betoogd dat het enkele feit dat [eiser] lid is van de commissie ADAM nog niet tot gevolg heeft dat de Vereniging niet aansprakelijk is voor het letsel van [eiser], wordt daarmee miskend dat het Hof niet enkel op die grond tot afwezigheid van onrechtmatig handelen van de Vereniging jegens [eiser] en daarmee van aansprakelijkheid van de Vereniging jegens hem heeft geconcludeerd. Het oordeel rust op het samenstel van in rov. 8 genoemde omstandigheden. Van die omstandigheden is in het bijzonder van belang dat in de verhouding tussen de Vereniging en de commissie Watersport het aan de commissie was om het bij het evenement vereiste toezicht uit te oefenen. Daarnaast legt het in cassatie niet bestreden gegeven van de grote mate van eigen verantwoordelijkheid van deelnemers aan activiteiten van de Vereniging ook zeker gewicht in de schaal.

3.6 Ook de omstandigheden dat [eiser] één van de commissieleden van ADAM was en het totale toezicht niet uitsluitend bij hem lag, brengen niet mee dat het Hof ten onrechte niet is uitgegaan van een aansprakelijkheid van de Vereniging tegenover hem wegens een tekort aan toezicht. Deze omstandigheden impliceren nl. niet, althans niet zonder meer, dat niet mag worden aangenomen dat in de verhouding tussen De Vereniging en [eiser] het, ongeacht de andere commissieleden, aan hem was om ter zake van het zeilevenement dat toezicht uit te oefenen waarvan hij stelt dat dat niet of niet voldoende is gebeurd. In onderdeel 2 wordt ook niet verwezen naar stellingen van zijn zijde in de vorige instanties, dat het uitoefenen van dat toezicht geheel of gedeeltelijk bij andere commissieleden lag en/of dat hij in verband met het toezicht dat heeft gedaan wat in redelijkheid van hem kon worden verwacht en andere commissieleden niet. Anders gezegd, het Hof had geen aanleiding om aan te nemen dat [eiser] als lid van de commissie watersport naast andere leden van de commissie niet de volle verantwoordelijkheid voor de uitoefening van het geboden toezicht droeg of dat hem voor het niet uitoefenen van het toezicht geen blaam treft.

3.7 Bij afwezigheid van een onrechtmatig handelen van de Vereniging jegens [eiser], is er geen ruimte meer voor toepassing van de regels van eigen schuld om tot een verdeling van de schadelast tussen de Vereniging en [eiser] te komen.

onderdeel 3

3.8 Onderdeel 3 richt zich in het bijzonder tegen het oordeel van het Hof in rov. 9 dat van de Vereniging niet gevergd kon worden dat zij voorafgaande aan het zeilweekend specifieke instructies aan de deelnemers had moeten geven om de situatie te voorkomen waarop de verwijten van [eiser] aan de Vereniging zijn gebaseerd. Gesteld wordt dat dat oordeel onjuist en/of niet voldoende gemotiveerd is.

3.9 Voorzover bij de in onderdeel 3 aangevoerde klachten wordt uitgegaan van het nalaten van het geven van instructies ten tijde dat het evenement plaatsvond – dat gebeurt aan het slot van subonderdeel (i) bij het met dat slot samenhangende subonderdeel (ii) en bij subonderdeel (iii) -, stuiten die klachten hierop af dat het bestreden oordeel van het Hof alleen betrekking heeft op instructies voorafgaande aan het evenement. De kwestie van het geven van instructies tijdens het evenement beoordeelde het Hof al in rov. 8 en in 9, eerste zin, in het kader van de vraag van aansprakelijkheid van de Vereniging voor het uit te oefenen toezicht tijdens het evenement.

3.10 Bij het bepalen van de zorg die iemand in het kader van het toezicht jegens een ander heeft te betrachten met oog op het mogelijk optreden van schade voor die ander bij een komend evenement (in casu het plaatsvinden van een zeilevenement waarbij een motorboot met opvarenden is betrokken), spelen alle dat evenement betreffende omstandigheden een rol. Van die omstandigheden is de voorzienbaarheid of mate van waarschijnlijkheid van het optreden van een bepaald schadegebeuren een belangrijke omstandigheid ((5)). Is een bepaald schadegebeuren in redelijkheid niet te verwachten, dan zal het achterwege laten van instructies met betrekking tot dat schadegebeuren in het kader van het toezicht houden op een komend evenement niet, of in ieder geval niet spoedig, als onrechtmatig in de zin van onzorgvuldig handelen zijn aan te merken. Het Hof heeft dan ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting gegeven door het achterwege gebleven zijn van instructies voorafgaande aan het evenement niet onrechtmatig te oordelen op de grond dat vóór het evenement het schadegebeuren op 4 mei 1995 niet voorzienbaar was. Voor zover in subonderdeel (i) beoogd wordt te bestrijden dat de onvoorzienbaarheid van een schadegebeuren een grond kan zijn om een zeker handelen niet onrechtmatig te oordelen, geschiedt dat tevergeefs.

4. Conclusie

Op grond van het voorgaande wordt geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep van [eiser].

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1. Zie ook de in cassatie niet bestreden rovv. 3-3.6 van het arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 20 april 2005, en ook de rov. 2.1-4 van het tussenvonnis van de Rechtbank te Leeuwarden van 13 februari 2002.

2. Het bestreden arrest is op 20 april 2005 uitgesproken, terwijl de cassatiedagvaarding op 20 juli 2005 is uitgebracht.

3. Zie in dit verband HR 3 september 1994 NJ 1996, 196, m.nt. CJHB (Staat-Gemeente Gouderak/Shell), rov. 3.8.4: “Zoals gezegd, gaat het in deze verhaalsacties op de voet van art. 21 IBS telkens om de vraag of sprake is van onrechtmatigheid in de zin van art. 1401 (oud) BW doordat is gehandeld in strijd met ongeschreven zorgvuldigheidsnormen. Of van zodanig handelen sprake is, hangt – in abstracto – daarvan af of de dader anders heeft gehandeld dan hij had moeten doen teneinde geen schade toe te brengen aan een bepaald belang van een ander dat hij had behoren te ontzien, waartoe dan ook mede is vereist dat hij dat belang kende of had behoren te kennen. Dergelijke normen strekken aldus uitsluitend ter bescherming van belangen van anderen waarop de dader bedacht moest zijn. Schendt hij een belang van een ander waarop hij niet bedacht behoefde te zijn, dan is derhalve niet voldaan aan het relativiteitsvereiste, zodat het mogelijk is te zeggen dat de dader niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens die ander; men kan dan evenwel even goed, zo niet beter zeggen dat de dader (in zoverre) niet onrechtmatig heeft gehandeld (vgl. HR 27 januari 1984, NJ 1984, 536). In dit opzicht bestaat een nauwe samenhang tussen onrechtmatigheid en relativiteitsvereiste.”

4. Het Hof zal wel om die reden in rov. 10 overwegen, “dat niet gesproken kan worden van een onrechtmatige daad die aan Io Vivat valt toe te rekenen”.

5. Zie onder meer: HR 13 oktober 2006, LJN AW 2080 C04/281HR, JOL 2006, 595, rov. 5.4.2; HR 7 april 2006, NJ 2006, 244, rov. 3.3; HR 22 april 2005, NJ 2006, 20, rov. 3.4.1; HR 28 mei 2004, NJ 2005, 105, m.nt. CJHB, rov. 3.4.1. Zie voor meer literatuur en rechtspraak de losbladige bundel Onrechtmatige daad, artikel 162, lid 2, aant. 87.4 en 88.1.

 

 

Gratis juridisch advies bij letselschade

Onze letselschadespecialisten hebben de kennis en ervaring om uw belangen optimaal te behartigen. Wij onderzoeken de toedracht van het ongeval, stellen de tegenpartij aansprakelijk, berekenen uw letselschade en realiseren uw schadevergoeding. Daarnaast bezoeken wij u thuis, ongeacht waar in Nederland u woonachtig bent. Maak nu een afspraak voor een vrijblijvend kennismakingsgesprek met een letselschade deskundige.

Neem contact op 085 - 877 17 74